Ontginning van het veen
Ontginning, ontwatering van het veen
liet Holland als een liftvloer zakken
- vriendelijk nagewuifd door nijvere molens -
tot onder de spiegel van de zee.
Die toesloeg met zeearmen: uitwateringen
averechts benut voor zoute inwatering.
Afgedamd daarom. Dam in de Amstel.
Dam in de Rotte, in de Zaan, in de Schie.
Dat handmatige overslag van scheepsvracht
met dragers hollend over de Dam
van buiten- naar binnenwater
de Hollandse havensteden schiep:
beginnersgeluk. Net als de ruige pracht
van houten sluisdeuren, de geur van teer,
polders en de wirwar van waterwerken
waar rode paling, woelend in de modder
en zuigend aan verdronken honden,
uitdijt tot blanke aal, door dijkbewoners
’s nachts met de peur bovengehaald.
Herenmaal voor de armen.
Dat jij deze zompige, onbedoelde wereld
van binnenuit kent, er uit voortkomt
mag evenzeer beginnersgeluk heten
en gebeurt je geen tweede keer.
Pioniers
van de bodemdaling
Ook deze familie koestert haar voorvechters
van de neerwaartse beweging.
De vele generaties Splinter
die zich uitsloofden rond Nieuwveen
- nota bene: veen achter het veen.
Gravers van rechte en dwarse sloten,
weteringen, boezems, kanalen
(zoveel woorden voor waterlopen).
Beheerders van grasland
op één turf boven de waterspiegel,
de veenweide.
De van der Hoeken verlieten rond 1600
de vaste Friese klei van Oostergo en Westergo,
hoge kweldergronden met terpen
(eerst aangelegd, later zelfrijzend
uit koemest en afval),
oude centra van welvaart en beschaving.
Je vraagt je af, toen ze bij Irnsum
het moeras instapten:
was het ondernemingszin
of waren het schlemielen
die van de rijke tafel werden weggedrukt?
Volg hun tocht door Frieslands lage midden,
de pioniersdorpen.
Uitwellingerga, Haskerdijken,
Noord- en Zuid-Broek, Wilderhorne.
Overstromingen. Zout water
verziekt de weilanden.
Runderpest. Kindersterfte.
Bij elke klap ernstiger in het geloof.
‘In Uwe hand beveel ik mijnen geest’
- Grote Ontginner.
De stenen brug
Het subtiele verschil
tussen turf met water
en water met turf
is het verschil tussen weg en vaart.
Enigszins wankel stapt de schilder
uit de herberg de schemer in.
Het licht van een toorts valt
in het zwarte water.
Gezien! Gezien, eruit gevist
en op de bomen gericht,
dit cognackleurige licht
dat terugkaatste uit het turfwater.
In het obscuur varen twee fuikenlichters
naar huis, een reiziger gaat al gebogen
onder de bruine hemel die hem opwacht,
daar waar boven de brug
lucht met turf overgaat
in turf met lucht.
Engel
uit de Oude Rijn
Vanuit het grootouderlijk huis aan de Oude Rijn
voer ik met buurjongen A. in de Danqpa
(ruim blijk van waardering voor de gever
van de kleinste roeiboot ooit)
naar de grazige zijsloten
waar A. met een werphengel
een zwemmende bouwvakkersarm ving
van anderhalve meter.
Paling die binnenboord van de haak ging,
bijna weggeglipt was, als A. zich niet
met een brul op de vis had gestort,
die in doodsschrik verzet bood,
zich om het middel van de jongen krulde:
Jacob in gevecht met de Engel.
Waarbij de paling dankzij haar kieuwvinnen
het duidelijkst aanspraak maakte
op de rol van Engel.
Als een bezetene roeide ik dit grondgevecht
over de Oude Rijn, tot A. de wal op kon.
De aal als een wurgslang kronkelend om zijn nek.
Vijf dagen lag ze in een teil met leidingwater
om de moddersmaak kwijt te raken.
Hield op met zwemmen. Lag stil.
Liet steeds meer ruimte voor de vraag
wat er met de wereld gebeurt
als de Engel ophoudt met de Jacobs te vechten.