Rouke van der Hoek

 

 Begin

 Publicaties

 Selectie

 Nieuw werk

 Strips

 Nieuws

 Links

 Contact

 

 

 

 
Het bedoelde einde van de poëzie
 
 
In het antieke huis met de dunne ramen
sprak oma hardop – ook als zij alleen was –
met haar huishoudelijk handelen mee:
 
“Leg ik de kaas in de kelder.
Zet ik het bord op het aanrecht.
Nu nog even het kleed. Ziezoo.”
 
Zo stuurde zij zichzelf door koude ruimtes,
prevelde de dingen op hun plaats.
De ultieme schikking waartoe de geschiedenis
 
moet leiden was in haar huis bijna bereikt.
Buiten voeren aken over de Oude Rijn, bedaard
en statig alsof elke vracht de laatste kon zijn:
 
“Hout naar de steigers,
steen naar de wal,
kolen naar de kachels.”
 
Als ’s avonds na de afwas de frequentie van
haar zinnen afnam en de poëzie overging
in het best mogelijke einde van de schepping
 
zagen wij achter Rijn en tuinderij
de silhouetten van stad, watertoren, wolken
samenvloeien in het doven van het licht.
 
 

 

 

 

 
Het magnetische noorden
 

 

Niet de ijzige zee waarheen gewezen
waar de naald steeds verder uitslaat
hulpeloos ronddraait
maar de afwijking zelf in het kompas.
 
Niet de ondergrondse ijzerstromen
Aardes rollend hoofd
maar de herhaalde sprong van de kat
naast de mus.
 
De verdraaiing van je stem op de bandrecorder.
 
Ook de onbedoelde faux pas
het drijven op je tweede talent
het hartstochtelijk meewerken
aan zekere scheefgroei in je leven.
 
Het is de reden waarom je onverwacht
stilstaat op straat
 
maar vooral: de sprong naast de mus
en denken dat je wat hebt.
 
 

 

 

 

 

 

's Nachts
          

 

's Nachts varen de landstreken naar huis.
Op volle kracht, elkaar met brandend boordlicht
omzeilend. Het schuurt aan boomwortels,
boegwater klotst in vijvers.
 
's Nachts wonen we in Midden-Duitsland.
Langs het raam schaduwen de hardnekkigste
creaturen van de gebroeders Grimm, zijzelf wellicht,
treurend om iets van duizend jaar geleden,
 
ze zijn het vergeten.
 
's Nachts sluit zich om ons het bos
vol echo's van boerenkrijgen. Kinderen
door wanhopige ouders achtergelaten
bidden om wedergeboorte uit een wolf.
 
Maar kijk, tussen de stammen een licht!
 
Dan is het tijd. Ochtend. Opluchting.
Hun lot is toch niet ons lot.
Varen terug. Tongval weer vertrouwd.
Enige twijfel blijft.

 

    Wim Claessen, tekening uit Vaarwater

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
         Tegen de herfst
           
Kijk, een wesp is een gat in de lucht
ter grootte van een wesp
gevuld met wesp
          
niet met lucht. Cruciaal:
meer wespen > hogere luchtdruk > zomers weer.
 
Daarom: laat je niet slaan, blijf, help
de lucht onder druk te houden
          
opdat ons systeem niet bezwijkt.
Maar geen ziel die dat begrijpt.
          
Met dunne stemmen nemen ze afscheid:
          
Go wesp, wesp
 
moge het lied van je vleugels
je ver vergezellen.
 
 

Hans van Eijk, omslag bundel Wespland 

 

 

 

 

 
Vogelgids
          

 

Dit boek vertelt wat mensen in ze zagen:
kneu, tapuit, paapje, wielewaal.
Voorouders wijzend, roepend op het veld
tot het juiste woord langs vliegt, ze knikken,
 
namen zijn gedeeld gevoel.
 
Pinksterfeest na pinksterfeest: klauwier,
hop, smelleken, wouw, smient, dodaars.
IJsvogel, buik vooruit, als vlam biddend
boven blijde gerimpelde koppen.
 
Daarom vogels kleuriger afgebeeld dan het grauw
gescharrel buiten, makkelijke prooi zo
voor de vrienden van blz. 96 en verder:
havik, sperwer, valk, valser geschminkt
 
dan Judas in het passiespel.
          
De vogelgids heeft mij ver gebracht. Polders.
Duinen. Limburg. Ontmoetingen. Liefde.
Soms zie ik nog iets vliegen dat op
een bladzij uit de vogelgids lijkt.
 
 
 
 

 

 

 

 

Mentale haring
 
De haring
die je je voorstelt
bij het woord haring
is je mentale haring.
 
Dat hoeft geen echte haring te zijn,
het kan ook de geep, schol of rog zijn
die je zag op de visafslag terwijl
een gezaghebbende stem zei: haring.
 
Het hoeft geen levende haring te zijn.
De mijne ligt steevast met de staart links
en de ontbrekende kop rechts
bestrooid met uitjes.
 
Vaak hebben we meer dan één mentale haring:
ook de levende zilvervis op de Brouwersdam
zo overvloedig dat hengelaars baldadig werden
(geen reclame voor de hengelsport).
 
Of de donkere kroeg op aswoensdag
waar na een slemppartij van drie dagen
iets zuurs moet zijn rondgegaan
- maar elke glimp van vis uitgewist.
 
Het Hollandse polderlandschap
van de zestiende eeuw
met werkvolk, de mond
naar de zee gekeerd.
 
Voedingsgedrag leidend
tot een geschiedenis
vol samenscholingen

en wetten om die te verbieden.