Oud speelgoed
Er staan twee afgekloven
beren naast mijn bed.
De grijze eenoog die ik ervan
verdacht
stormgeluiden te maken, die
nacht, februari 1953.
De kleine gele bijna zonder
vacht die met mijn broer
ziekenhuis in, ziekenhuis uit
ging en door de nonnen
aldaar tot een engelrijk
geloof werd bekeerd.
Elders in huis glanst het
licht zacht op de kleine schedels
van de verveloze dinky toys,
made by meccano,
slechts op hoofdlijnen
vormbehoud tonend
na hun reis door vele
lichtingen kinderhanden:
gewilde botsingen,
tuimelingen van tafels,
overnachtingen in het gras.
Jong speelgoed helpt je aan
de wereld te wennen.
Praatpaal, oefenmateriaal,
miniatuur.
Later groeit het op afstand
mee tot het oud speelgoed is,
dat niets anders meer wenst
voor te stellen
dan zichzelf. Gemangeld en
geblutst
helpt het je de wereld te
ontwennen.
Ontsnapping

Springt de slagboom open, klinkt gedempt
gejuich.
Massaal spurt de fabrieksbevolking avond
en
aardappels tegemoet. Heilig huis vol
vrije tijd.
Golf van zwarte rijwielen klotst door de
stad.
Een eindeloze rij Belgische bussen
transporteert
de bloem der Kempen over de Aalsterweg,
duttende hoofden achter glas. Zien niet
hoe
de stad zijn vleugels uitslaat.
Nieuwbouwwijken
schuiven boerenbedoening voor zich uit,
brokkelige stadsrand, cirkel waarbinnen
het gist.
Bestorming van Katholiek Leven als
Adamo optreedt.
Rokerige cafézalen, opgejut door bas en
drums,
opmars van rock & roll. Toch niemand die
het dak afkomt. Integendeel, het gekapte
bos
onder de klinkers herrijst twee etages
hoger:
woud van antennes, zelf geproduceerde
ogen
en oren, reikhalzend naar trillingen in
bovenste
luchtlagen, waar de toekomst geschreven
wordt.
Aquatint van Stijn Peeters, uit Gedempt
Geluich